The Carice Singers: jong, fris en heel erg Brits

The Carice Singers: jong, fris en heel erg Brits

IRELAND, MOERAN: ‘Choral Music’
The Carice Singers o.l.v. George Parris, m.m.v. David Owen Norris (piano)
Naxos 8.573584 • DDD-78’ – Waardering: 8

(Luister, 3 november 2017)


‘Britser kan het bijna niet’, denk je bij ‘The Cradle Song’ van John Ireland (1879-1962) waarmee dit album opent. De ijle, heldere koorklank komt mooi tot zijn recht in de St. Michael of All Angels in Oxford, waar de opnamen plaatsvonden.
Ireland en zijn leerling E.J. Moeran (1892-1950) bedienen zich van een laatromantisch idioom met een landelijke sfeer. De liedteksten grijpen terug op de 16e eeuw, toen ze ook al werden getoonzet door mensen als John Dowland en Thomas Campion.

The Carice Singers vormen een jong koor. Niet alleen doordat ze uit jonge zangers bestaan, maar ook doordat ze pas in 2011 zijn opgericht. Dit in aanmerking genomen hebben ze al een relatief hoog niveau weten te bereiken.
Het gezelschap noemde zichzelf naar de dochter van Edward Elgar, met wiens muziek ze debuteerden. Soli in ‘In Praise of Neptunus’ (Ireland) en ‘Blue-eyed Spring’ (Moeran) geven een aardige dwarsdoorsnede van wat men vocaal in huis heeft.
Kleine onzuiverheden en een paar schelle topnoten vergeef je hun graag, vanwege de verder frisse koorklank, eloquente frasering en zorgvuldig uitgewerkte dynamiek. En last but not least is dit repertoire The Carice Singers werkelijk op het lijf geschreven.

Margaretha Coornstra

Reageren is niet mogelijk.