Patricia Kopatchinskaja: “Als muzikant moet je iets dilettantisch houden”

Patricia Kopatchinskaja: “Als muzikant moet je iets dilettantisch houden”

“De Janis Joplin van de viool,” zo typeerde een fan haar. Net zo expressief, net zo beweeglijk, net zo briljant. Patricia Kopatchinskaja zoekt rusteloos naar originele presentatievormen – en met succes. Nauwelijks had haar nieuwste CD ‘Deux’ het levenslicht aanschouwd, of haar vorige Alpha-album ‘Death and the Maiden’ won de Grammy Award 2017 voor kamermuziek.

(Luister 730, 09-03-2018; foto: cover ‘Death and the Maiden’)

“Een ongelofelijke pianiste,” verzucht Patricia Kopatchinskaja over Polina Leschenko, met wie ze het recente album ‘Deux’ maakte. “Ik snap niet hoe zij zó spelen kan…! Bij haar hoor ik geen tonen, maar zie ik onmiddellijk beelden. Iets wat ik van verder niemand, níemand op deze wereld ken. Ik ben intens gelukkig dat Polina met mij wilde samenwerken, want ze treedt weinig op en maakt bijna nooit opnamen.”

Als ik hen op YouTube samen bezig zie met de Tzigane van Ravel – Kopatchinskaja barrevoets dansend naast de vleugel – denk ik aan een zinsnede van de Nederlandse auteur en jazzmusicus F.B. Hotz: “…hun werk, dat eigenlijk spelen was en trouwens ook spelen heette. ”
Kopatchinskaja begrijpt meteen wat Hotz bedoelde: “Dat geldt vooral bij jazz, maar ik zou willen dat we als klassieke musici ook meer konden spelen. Als een kat met de muis, of als bij een partijtje pingpong. Zonder voortdurend bang te zijn dat er iets fout gaat. Zonder dat je krampachtig focust op het eindresultaat dat per se vast moet liggen.”

Pingpong

Ooit was ze in een café in Ludwigsburg, vertelt ze, en ontmoette daar het beroemde tennisechtpaar Andre Agassi en Steffi Graf.
“We raakten aan de praat en de vraag kwam op tafel: hoe kan het dat sport zoveel populairder is dan klassieke muziek? Waarom begrijpen mensen sport zoveel beter? En persoonlijk denk ik dat het antwoord luidt: omdat je bij sport niet van tevoren weet hoe het afloopt. Je volgt met je ogen die bal, je denkt koortsachtig mee, maar toch heb je geen flauw benul welke kant het spel uiteindelijk op gaat. Terwijl bij een klassiek concertprogramma al vaststaat wat je mag verwachten.”

Vroeger was dat probleem niet zo aan de orde, betoogt ze: “Toen voerden ze vrijwel altijd eigentijdse muziek uit. Als publiek kende je het stuk nog niet zo goed en het werd evenmin duizendmaal op dezelfde manier gespeeld. Het verrassingseffect was voortdurend aanwezig. Daarbij kwam dat de muziek vaak door de componist zelf werd gespeeld. Als publiek bleef je dus nieuwsgierig.
Maar tegenwoordig spelen musici telkens hetzelfde repertoire op dezelfde manier. Niet bijster creatief. Het simpelweg perfect spelen van alle noten is voor mij geen muziek, maar een museum. Een wassenbeeldenmuseum, met dode componisten. Ze zien er weliswaar uit als Beethoven of Mozart, maar ze leven niet.”

Huisconcert

En dat komt vooral door die angst voor speelsheid, meent Kopatchinskaja.
“Musici zijn bang om fouten te maken, bang om zich kwetsbaar op te stellen. Bang ook om kinderlijke vragen te op te werpen. Terwijl je eigenlijk zó zou moeten spelen, dat ook kinderen er plezier aan beleven…”
Er schiet haar iets te binnen: “Ik speelde gisteren met Camerata Bern en plotseling bedacht ik me dat een concert ook in een grote zaal nooit officieel zou mogen worden! Het moet eigenlijk een ‘huisconcert’ zijn, dat wil zeggen: zowel de musici als het publiek zouden zich gewoon lekker thuis moeten voelen.”
Aan dat ‘lekker-thuis-gevoel’ in de concertzaal zitten veel aspecten, mijmert ze verder.
“Natuurlijk moet het muzikale handwerk van hoog niveau zijn. Maar tegelijk moet het iets dilettantisch houden, in de beste zin van het woord: dat je jezelf een foutje vergeeft en gelijk weer op zoek gaat naar iets nieuws, iets fris, wat je nog zou willen vertellen via deze muziek. Soms mag dat best een beetje clownesk, als in een circus. En even later weer diepzinnig, voor de oudere mensen die het hele leven al hebben overdacht. Het moet alles in zich hebben: donker, licht, vrolijke en serieuze kanten. Inclusief een amuse de bouche vooraf en een feestje met champagne achteraf.”

Straattheater

Maar vooral, en dat is voor Kopatchinskaja een cruciale voorwaarde: het optreden moet een link naar de huidige tijd leggen. “Als ik bijvoorbeeld een vioolconcert van Mozart speel, moet dat in de cadens een relatie met het heden krijgen, met de mensen die wij nú zijn.”
En ze illustreert dit met een herinnering: “Ik zag in China eens een traditioneel straattheater, in een park. Er was veel publiek. Allemaal oudere mensen, want de jongeren daar gaan liever naar popconcerten, met kopieën van Amerikaanse sterren en zo. En iedereen genoot enorm van dat oude Chinese theater, waarin alle stukken nog precies zo werden gezongen als tweehonderd jaar geleden. Maar opeens barstte het publiek schaterlachen uit. Ik was verbaasd: wat gebeurt er? En iemand zei: ‘O, die acteur maakte een grap over een lokale politicus’. Snap je, opeens was daar die relatie met het hier en nu! Zoiets zou ook in klassieke concerten moeten gebeuren.”

‘Death and the Maiden’ (2016) met Saint Paul Chamber Orchestra (Alpha 265)
‘Deux’ (2017), met Polina Leschenko, piano (Alpha 387)

Reageren is niet mogelijk.