Liefde als antwoord op alles (gesprek met Huub Oosterhuis, 2000)

Liefde als antwoord op alles (gesprek met Huub Oosterhuis, 2000)

“Ik zoek God! Ik zoek God!” schreeuwt een man die op klaarlichte dag met een lantaarn over het marktplein loopt. Voorbijgangers lachen meewarig, steken de draak met hem:
“ Waar zou God kunnen zijn? Is ie op reis? Is ie verdwaald ?”
Maar de waarheid is veel gruwelijker: “God is dood! God blijft dood! En wij hebben Hem gedood!”

(interview in de Stentor, 2000)

Een daad, eigenlijk te ontzagwekkend voor gewone stervelingen, beseft de man:

“Hoe hebben wij de zee kunnen leegdrinken?
Hoe hebben wij de horizon kunnen uitwissen?
Hoe hebben wij de aarde kunnen loshaken van haar zon?
En nu vallen wij naar alle kanten en dolen door een oneindig niets!”

Deze beeldspraak van de Dolle Mens – een creatie van Friedrich Nietzsche in zijn bundel ‘De vrolijke wetenschap’ – diende Huub Oosterhuis als uitgangspunt voor de musical ‘Het Lied van de Eeuw’.  “Verder komt er helemaal geen Nietzsche aan te pas. Ik heb alleen deze scène er uitgelicht, en die brengt dan een discussie op gang. En aan die discussie doen heel gewone mensen mee.”

Brecht

Theater met een boodschap. Dichter Huub Oosterhuis – voormalig jezuïet, naderhand sociaal activist, boegbeeld van de Studentenekklesia en directeur van de Rode Hoed – schreef naar eigen zeggen zijn ‘Lied van de Eeuw’ in de traditie van Bertolt Brecht.
Componist is Tom Löwenthal. “Zeg maar gerust dat hij het leeuwendeel heeft geleverd”, geeft Oosterhuis grif toe. Immers, Löwenthals muziek maakt dit “leerdicht in vierentwintig zangen” tot muziektheater.
Ze werkten al vaker samen en hebben meerdere kerkliederen op hun beider namen staan. Toch is Löwenthal vooral een theaterman. Oosterhuis: “Ik heb natuurlijk meerdere componisten. Met Antoine Oomen heb ik de Lukas Passie gemaakt, maar dat zijn toch weer heel andere impulsen. Ik zou Oomen voor iets als dit niet vragen. Tom Löwenthal heeft zich verdiept in de componisten van Brecht: Kurt Weill, Hanns Eisler, Paul Dessau; het is echt zijn specialiteit. Daarom kon ik er ook van uitgaan, toen ik schreef in de trant van Brecht en Tucholsky en zo, dat hij dit muzikaal ook als zodanig zou verwerken.”

Ouderen

“Onze vaderen in hun vreemde taal
zeiden God
maar bedoelden liefde
zeiden hemel maar bedoelden
sterker dan de dood”,

citeert Huub Oosterhuis zichzelf. Het is één van de sleutelzinnen uit het Lied van de Eeuw. Opdrachtgever is de Unie van Katholieke Bonden van Ouderen, met als doelstelling om verschillende generaties met elkaar in dialoog te brengen.  Zo is daar de bejaarde Bloemenvrouw, die als 20-jarige uit Auschwitz werd bevrijd, ontdekte dat ze nergens gewenst was, de zee inliep, zich bedacht en weer verder leefde. Inmiddels heeft ze een kleindochter, het Meisje, dat Nietzsches tekst leest waarin hij God doodverklaart; een stelling waarmee zij overigens geen genoegen neemt.
Oosterhuis: “Het Meisje is de personificatie van de gedachte: je kunt nou wel beweren dat God dood is, maar wat betekent dat dan? Wie is God en wat is dood?”

Het Meisje gaat op zoek en ontmoet in een kerk de zogenaamde Gestreepte Man. “Nietzsches Dolle Mens, maar dan tot rust gekomen,” typeert Oosterhuis. “Een zoeker, zoals die in de 20ste eeuw veel voorgekomen zijn.”
Tussen deze twee ontspint zich een gesprek, waarbij het meisje aanvoert hoe zij ooit hoorde dat God liefde is. En als dat zo is, kun je het ook omdraaien: dan is liefde ook God.
Nee, volstrekt geen nieuwe filosofie, erkent Oosterhuis meteen. “Het is een gedachte die je op allerlei plekken in de wereldliteratuur terugvindt en zelfs recentelijk nog verwoord is door Karel Glastra van Loon, in zijn roman De Passievrucht.”

Naastenliefde

Cruciaal in het Lied van de Eeuw is de verwijzing naar psalm 82. “Daarin wordt gesproken van een God die roept om recht. Recht aan weeskinderen en armen. Een God die mensen leert dat ze recht moeten doen aan de ont-rechten, dat ze solidair moeten zijn. Dat woord wordt niet genoemd, maar solidariteit is een van de beslissende aspecten van de liefde, denk ik.”
Volgens Oosterhuis wordt de term naastenliefde vaak misverstaan als een schier bovenmenselijke emotie: “In de Bijbel zijn liefde en recht doen synoniem. Daar duidt liefde niet op een gevoel, maar op een praktische levenshouding. ‘God is liefde’ betekent: God is solidariteit, voor je naasten opkomen, de armen optillen uit het stof.  ‘Heb lief de vreemdeling in je midden’ is een van de grote bijbelse woorden. Dat betekent niet dat je die vreemdeling moet omhelzen, maar dat je hem brood geeft. De rabbijnen aan het begin van onze jaartelling – dat is ook de stroming waarin we Jezus moeten plaatsen – verkondigen dat de hele Bijbel neerkomt op die ene zin: ‘Heb je naaste lief, want die is als jij.’ Van deze liefde hangt de wereld af, zeggen ze.”

Vandaar de apotheose waarbij het woord liefde in alle talen weerklinkt: in het Chinees, IJslands, Frans, Engels, Arabisch, Koerdisch. “Want dat woord is eigenlijk een alternatief voor het woord God. Dat is de strekking van het verhaal.”
Een nieuwe eeuw, een nieuwe spiritualiteit? Oosterhuis: “Ja, maar die nieuwe vorm is tegelijk een heel oude vorm. Het is toch altijd zo geweest dat liefde het fundament was van alles en het antwoord op alles. Die keuze hebben we als het ware gemaakt. Tja, je kunt natuurlijk zeggen: God is dood. Daar kun je dan voor knielen, voor zo’n zinnetje. Je kunt ook zeggen: God is liefde, en liefde is niet dood.”

(Dit is een ingekorte versie van een interview in de Stentor, 2000; stockphoto Pixabay.com)

Reageren is niet mogelijk.