‘Vermoorde kunst’: eerbetoon aan talent dat verloren ging

‘Vermoorde kunst’: eerbetoon aan talent dat verloren ging

De titel draait er niet omheen. Met het project ‘Vermoorde Kunst’ herdenken Museum Sjoel Elburg en het Noord-Veluws Museum in Nunspeet een groep van 26 Nederlandse kunstenaars uit de eerste helft van de vorige eeuw. Een divers gezelschap, met één verbindende factor: dat ze tussen 1942 en 1945 door de nazi’s werden vermoord, om geen andere reden dan hun Joodse achtergrond.

Nederlands Dagblad, 27-03-2020 (onder de kop: ‘Kunst die nog gemaakt had moeten worden’)

Fré Cohen in haar atelier. Foto Helmuth Wolff, 1936. (Joodsch Historisch Museum)

75 jaar geleden werd Europa bevrijd van de nationaalsocialistische tirannie. Daarmee kwamen tegelijk ontstellende feiten aan het licht. Rabbijn en kunsthistoricus Edward van Voolen − gastcurator van de expositie Vermoorde Kunst en medeauteur van de gelijknamige publicatie – omschrijft ze als ‘een centraal georganiseerde massamoord op joden, Sinti en Roma’. Van Voolen prefereert overigens de Hebreeuwse term shoa boven het gangbare holocaust, dat uit het Oudgrieks komt. ‘Shoa betekent vernietiging. Holocaust betekent brandoffer, maar ik zie er geen offer in. Bij het brengen van offers denk je immers aan een goddelijke aanwezigheid. Dus ik vind dat niet zo’n gelukkige woordkeuze.’

Onder de omgebrachte Nederlandse Joden bevond zich veel kunstenaars. Nu is de ruimte in zowel de Sjoel Elburg als het Noord-Veluws Museum beperkt. De selectie moet moeilijk zijn geweest.

‘Ja, inderdaad hadden we met gemak een veel groter gebouw kunnen vullen. Maar bij de samenstelling hebben we gelet op een zo breed mogelijk scala aan kunstenaars: jong én stokoud, mannen én vrouwen, religieus én atheïst. Verder wilden we verschillende stijlen tonen: de meer klassieke aanpak van de Larense School, zoals bij Baruch Lopes de Leão Laguna, maar ook sociaalrealisme, zoals bij Leo Pinkhof, en modernisme van mensen als Else Berg en Mommie Schwarz. Afgezien van de Joodse afkomst is er ook in artistiek opzicht maar weinig dat deze groep verenigt.’
 

Lion Schulman, ‘Molen’ (1931)

De oudste exposant is Lion Schulman (1851-1943), die als 91-jarige nog werd opgepakt en naar Auschwitz gesleurd. En Fré Cohen (1903-1943) stierf weliswaar als enige niet in een kamp, maar droeg altijd pillen bij zich voor het geval dát …

‘Dat van Schulman is een heel schrijnend verhaal, ja. Na een beroerte sleet hij zijn laatste jaren in een rusthuis, om tenslotte alsnog te worden vermoord. Maar ja, het zijn allemaal schrijnende verhalen. Toen Fré Cohen uiteindelijk werd opgepakt, heeft ze in die noodsituatie geen andere uitweg gezien dan haar lot in eigen handen te nemen. Iets wat overigens vaker voorgekomen is.’

In uw inleiding benoemt u de paradox van Joodse beeldende kunst, onder verwijzing naar het Eerste Gebod. (Exodus 20:4) U zegt dat de rabbijnen al een kleine tweeduizend jaar het uitbeelden van levende wezens goedkeuren.

‘Zeker, want in het volgende vers staat dat je er niet voor mag knielen en ze vereren. Zolang je dat niet doet, is er volgens de halacha, de Joodse wet, geen probleem. Dat zie je ook aan geïllustreerde middeleeuwse handschriften en aan mozaïeken en wandschilderingen in Oost-Europese synagogen. Al zijn er natuurlijk wel mensen die het gebod voor zichzelf strenger interpreteren en andere keuzes maken. Binnen het jodendom zien we groepen die zeggen: het is beter de Schriften te bestuderen dan ze uit te beelden. Zoals er binnen de kerk ook protestantse stromingen zijn die liever geen afbeeldingen willen.’

Over protestantisme gesproken: Dinah Kohnstamm (1869-1942) is niet-religieus, politiek ietwat linksig en maakt zich sterk voor vrouwenrechten. Maar in 1938 – nota bene het jaar dat Colijn de grenzen sluit voor Joodse vluchtelingen – treedt ze toe tot de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband van ds. Geelkerken. Een enorme stap.

‘Ja, interessant hoe ze in haar latere leven toch een spirituele verdieping zocht en die, als bijna 70-jarige, uitgerekend in die hoek vond. Haar neef Dolph Kohnstamm heeft haar dagboekje uitgegeven waarin dit wordt beschreven. Helaas kon de doop haar niet behoeden voor Auschwitz. Dat zie je bij meer Joden die zich tot het christendom bekeerden. Nog een voorbeeld is Edith Stein, die katholiek werd maar vanuit het klooster werd gedeporteerd.’

Over Joseph Isaacson (1859-1942) schrijft u: ‘Zijn oeuvre, met mystiek getinte Bijbelse en oriëntaalse thema’s, is niet groot, maar interessant en nauwelijks bekend.’ Wat maakt hem zo interessant?

‘Ik vind het spannend wat zo’n persoon allemaal doet. Isaacson is een buitenbeentje, met een eigen aanpak; hij past niet binnen het gangbare patroon. Zo gaat hij al vroeg naar Parijs met zijn leermeester Meijer de Haan. Daar heeft hij contact met de Franse impressionisten en met Van Gogh. En dan die fascinatie voor het Nabije Oosten, zijn reizen naar Egypte … Ja, Isaacson is nou typisch zo iemand van wie je meer zou willen weten.’

Zijn er nog meer kunstenaars te onbekend gebleven?

‘Tja … Fré Cohen, grafisch vormgeefster, vind ik een spannend kunstenares. Voor de oorlog was ze beroemd, na de oorlog kreeg ze pas later weer aandacht. En Bob Hanf: een geweldig veelzijdig man! Componist, schrijver, modernistisch kunstenaar, maar slechts vijftig jaar oud geworden. Over Dinah Kohnstamm heeft kunsthistorica Hanna Melse in 2009 een scriptie geschreven, maar bij een tentoonstelling in 1985 was er nog maar één werk van haar bekend.
Persoonlijk vind ik Samuel Jessurun de Mesquita, wiens naam overigens wel bekend is gebleven, ook een boeiend kunstenaar … Maar ach, eigenlijk geldt voor alle 26 exposanten dat hun werk van hoge kwaliteit is. En de reden om hen in dit project bijeen te brengen was enerzijds om hen te gedenken, anderzijds om te laten zien wat voor talent er verloren is gegaan. Want bij de meesten denk je toch: stel dat hun leven gewoon was doorgegaan, wat zou daar dan nog allemaal uit voortgekomen zijn?’

‘Vermoorde Kunst’: t/m 20 september 2020
www.sjoelelburg.nl en www.noord-veluws-museum.nl

Reageren is niet mogelijk.