Het vreugdevuur van David Hockney

Het vreugdevuur van David Hockney

Primeur voor het Van Gogh Museum: de eerste Nederlandse expositie waarin David Hockney (1937) centraal staat. ‘The Joy of Nature’ belicht de intense natuurbeleving die hij deelt met zijn Nederlandse inspirator, Vincent van Gogh.

Nederlands Dagblad, bijlage Gulliver, 08-03-2019.
Beeld: David Hockney / The Arrival of Spring in Woldgate 2011 (twenty eleven), olieverf op doek.


Al jaren laat ik me ontroeren en meeslepen door de Woldgate-series van David Hockney. Ik pleeg mijn Facebookpagina in te richten met foto’s van Hockney’s visie op de vier seizoenen. Voeg daarbij het besef dat geen enkel museum in Nederland een Hockney in zijn collectie heeft, dat The Joy of Nature Neerlands eerste Nederlandse monografische Hockney-expo is, waarin bovendien zijn Woldgate-landschappen centraal staan en het is duidelijk: hier moeten we heen!

Natuurlijk raken de Yorkshire-landschappen me in eerste instantie door hun gelijkenis met het landgoed waar ik ben geboren en opgegroeid. Maar toch zijn het Hockney’s kleurgebruik en dieptewerking die alles accentueren wat je normaliter alleen onbewust ziet en zo je beleving intensiveren.
In 2003 keerde de Britse Hockney terug naar Yorkshire, na twintig jaar in Los Angeles te hebben gewoond. Meteen trof hem het verschil in licht vergeleken bij Californië. Zo herondekte hij de landschappen uit zijn jeugd, wat resulteerde in de ene Yorkshire-serie na de andere: één groot vreugdevuur in verf, ter ere van de natuur tot in al haar details. The Joy of Nature.
Nu sta ik dan fysiek tegenover de doeken die me op afstand, via internet, al zo lang intrigeren. En o, opluchting: ze blijken echt adembenemend. De plaatjes komen overrompelend tot leven. Zelfs het vernis op Arrival of Spring in Woldgate 2011 danst mee, in grove golvende kwaststreken.
En ja, de kleuren an sich zijn schril. Overigens gaat bij The Joy of Nature wel voornamelijk om olieverf. (Dit voor wie het vooroordeel jegens acryl nog niet te boven is. Want laten we wel wezen: ‘je kunt desnoods in Caravaggio in acryl schilderen’ zoals een bevriend kunstenaar me ooit zei.)

Jarenlang werd Hockney, mede om zijn exorbitante kleur, tot de popart gerekend. Toch zocht hij het later in een ‘groots naturalisme’. Daarin zie je nu stellig ook elementen van het fauvisme terug, dat zich bij Van Gogh en Gauguin al aankondigde. Die rauwe, niet braaf naar elkaar toe geschilderde maar pardoes tegen elkaar gesmeten kleurvlakken. De ‘onnatuurlijke’ paarse, blauwe en groene schaduwen, die wel degelijk de realiteit blijken weer te geven; het is maar net hoe je kijkt. Al heeft Hockney geen verf nodig om diepte, lichtval en zelfs kleur te suggereren. Zijn intieme werk op papier – in potlood, inkt of houtskool – heeft dezelfde ruimtelijkheid als de gigantische olieverven.

De parallellen tussen Hockney en Van Gogh zijn er op deze expositie niet aan de haren bijgesleept. Ze zijn evident. Beide schilders delen hun inzoomende blik, hun keuze voor gewaagde kleuren en hun plastisch handschrift. Ze tonen ons hoe het licht door de bladeren valt: Van Gogh met Kreupelhout in 1889 en Hockney met Woldgate Woods in 2006. Ze zoeken de peilloze diepte in hun landschappen. Beiden waren geïntrigeerd door perspectiefwerking en experimenteerden ermee. Van Gogh worstelde met het perspectiefraam en zocht later zijn ruimtelijkheid vooral in de kleur. Hockney liep in de jaren 70 vast binnen het klassieke centraalperspectief en ontwikkelde zijn concept van het ‘opengeklapt perspectief’, waaraan deze expositie een aparte hoek wijdt. Beiden schilderden ook en plein air. Met je neus op Hockney’s Woldgate Woods (2006) ontwaar je zelfs nog minuscule stukjes van gevallen bladeren of takjes die zich in de verf hebben vastgezet.

Als een van de eerste kunstenaars werkte Hockney sinds 2010 ook op iPad, in de app Brushes. Ondanks de postmoderne techniek leverde dat gepassioneerde impressies op van een ouderwets landschap, in verzadigde kleuren: purper, terra, oker, smaragdgroen. Vooral Hockney’ s groen is overweldigend; overigens ook in olieverf, zoals op het negen meter brede Arrival of Spring in Woldgate 2011. ‘Matisse zei eens: twee kilo blauw is blauwer dan één kilo blauw. Dat is erg raak, maar voor groen moet het zelfs drie kilo zijn’, aldus Hockney in het interview met Hans de Hartog Jager, auteur van de catalogustekst.

Nog een fascinerend onderdeel: de Four Seasons, elk bestaand uit negen monitoren met videobeelden. Hiervoor liet Hockney een auto stapvoets over een laan door de Woldgate Woods rijden. Negen camera’s registreerden de berm (met soms wat zwerfafval), de boomtoppen (met ’s winters de sneeuwvlokken die langs de lens vallen), een traag passerende tegenligger, het weggetje dat naar het verdwijnpunt voert. Negen monitoren fungeren als doeken waaruit het landschap is opgebouwd. En zodra je van de monitoren terugkijkt naar de negendelige schilderijen, verrast je de optische illusie: warempel, ook op elk doek bewegen plotseling de bladeren.

Tot slot is de vormgeving van The Joy of Nature helemaal top. Stevige en toch ingehouden kleuren op de wanden (steenrood, lavendelblauw, zacht resedagroen) geven alle ruimte aan Hockney’ s bijna fluorescerend coloriet, met Mayflower Blossom on the Roman Road (2009) als heftig hoogtepunt. In de bijna-schemering van de zalen lichten de schilderijen zichzelf uit.

‘Hockney – Van Gogh: The Joy of Nature’, t/m 26 mei.
www.vangoghmuseum.nl

Reageren is niet mogelijk.